De prinses

Vijf en een half. Misschien net zes. Ik droeg een jurk. Volgens mij paars, met glitters. Ik was piepklein. Kuiltjes in de wangen als ik lachte. Snotverkouden. Ik voelde me thuis op het toneel. Dat je iets moest onthouden, op een bepaalde manier en dat dan iedereen stil was en zag hoe goed je dat onthouden had. Dat vond ik te gek. Dus ik onthield ook alles wat de andere kinderen mochten zeggen of zingen. En als we oefenden, dan deed ik zachtjes met ze mee. Ik kende alle teksten, alle liedjes. Altijd. Eerst bedachten we een verhaal. Daarna kreeg je daar teksten bij. Iedereen was iemand anders. Sommige kinderen hoefden niets te zeggen. Die hoefden alleen maar langs te lopen. Anderen liepen niet eens langs. Die hielpen op een andere manier. Gek vond ik dat, dat ze dat leuker vonden.

Ik wilde lopen, iets zeggen, iets doen en zingen en alle teksten uit mijn hoofd kennen. En zeggen hoe je iets hoorde uit te spreken, deed ik ook wel eens. We leerden een moeilijk woord; ‘generale repetitie’. Het klonk als iets uit het leger. Maar het betekende, dat we onze kleding ‘voor de rol’ aan mochten en allemaal álles achter elkaar moesten doen, wat we moesten doen. Op het podium dus; een hoge plek in de grote zaal. Midden in de school. Een podium met een zachte vloer. Grijsblauwe vloertegels van één bij één.

Ik was vijf en een half, misschien net zes. En ik droeg een jurk. Paars, met glitters. Ik was piepklein en ik had een harp. Meester Arthur had een harp voor mij gemaakt. Een rechthoek van hout, vier plankjes. Met langs de korte zijden wol gespannen. Die draden wol, die moest ik dan bespelen. Want ik was een prinses, ik voelde me ook prinses, en ik mocht een liedje zingen. Toen we het verhaal bedachten, mocht ik van de meester een liedje in het Koerdisch kiezen. Dat was in de tijd dat het leuk was dat ik krullen had en met mijn moeder een taal sprak die de meisjes ‘Engels’ noemden. We waren vijf, misschien net zes. En alles wat we niet verstonden was ‘Engels’. De taal van de Engelen. Ik was dus een prinses en ik maakte op mijn harp hemelse muziek. En ik zong een liedje in het Koerdisch.

Op zondagen, volgde ik samen met nog meer Koerdische prinsen en prinsessen lessen die mijn moeder gaf. Zij leerde ons liedjes, en schrijven. Het allernieuwste wat ik had geleerd was ‘Ey reqib’. Het Koerdische volkslied. Dus ik was een jaar of vijf, zes. Met een glitterjurk aan. Op het podium met grijsblauwe tegels. Ik kende alle teksten uit mijn hoofd. En ik zong, snotverkouden, ‘Ey reqib’. De zaal zat vol papa’s en mama’s en de ganse onderbouw van de Waterlandschool.  Ik zong, nee, ik schreeuwde ‘Ey reqib’ en de papa’s en mama’s filmden dat. Papa scrollde het knopje van het fototoestel en flitste af en toe. Mama straalde. En toen mijn liedje klaar was, ging ik tevreden zitten. Op mijn rots in het bos. De prinses uit een ver, ver land.

Verschenen op www.mixin.nl

Beri Shalmashi
Lees meer van Beri Shalmashi
Be Sociable, Share!

Korte URL: http://azady.nl/?p=13257

Geplaatst door op 7 Nov 2010. Gearchiveerd onder Column, Opinie & Debat. Je kan reageren of trackbacken RSS 2.0. You can leave a response or trackback to this entry

1 reactie voor “De prinses”

  1. zoidberg

    Inspirerend! Alleen jammer dat er tegenwoordig zo weinig Koerdische lessen zijn. Eigenlijk helemaal niet. Mijn broertjes kennen totaal geen Ey Reqib. Alleen rare negert muziek (no offence)

You must be logged in to post a comment Log in

Advertentie

Inloggen | Designed by Gabfire themes