Mijn laatste revolutie

Dit artikel is op 5 maart 2010 gepubliceerd in de journalistieke magazine Ex Ponto. Azady.nl heeft de uitdrukkelijke toestemming van de hoofdredactie van Ex Ponto gekregen om dit artikel te publiceren.


Naar de ondergrondse Koerdische verzetsradio op frequentie 90,9 FM mocht ik nooit luisteren, in een tijd dat zelfs de muren loyaal waren aan het regime van Saddam Hussein. Toch deed ik dat stiekem, ieder dag, omdat ik op school mijn moedertaal niet mocht spreken. “Vandaag is de dag waarop wij langs de straten van onze dorpen en steden de galgen bouwen voor hen die vijfduizend onschuldige mensen vergasten in Halabja,” klonk uit de radio. Als kind van acht jaar stond ik stijf van angst. Niet wetend dat vandaag de dag is waarop ik de laatste revolutie in mijn leven zal meemaken.

Feiten (The New York Times, 3 maart 1991)

“Op 27 januari 1991 trokken de laatste legervoertuigen van het Iraakse leger zich terug uit Koeweit. De tweede Golfoorlog lijkt voorbij. Het Iraakse leger heeft zwaar geleden: duizenden Iraakse soldaten zijn gevangen genomen door de internationale troepenmacht van de VN en duizenden zijn levend verkoold door de Amerikaanse luchtmacht op de enige snelweg tussen Koeweit en Irak, die nu al Snelweg des Doods wordt genoemd. President George Bush roept alle Irakezen op om het regime van Saddam Hussein ten val te brengen. De Irakezen zullen niet alleen staan in hun strijd tegen de tirannie, zegt de president. De sjiieten lijken gehoor te geven aan de oproep van de Amerikaanse president en hebben op 1 maart de havenstad Basra bevrijd. De beurt is nu aan de Koerden.”

De lege straten van Suleimaniya in Noord-Irak waren in de vroege ochtend van 7 maart 1991 vol hoop. De hoop die ik over twee dagen zal beseffen, maar niet nu. Onze buurvrouw, die sinds drie jaar ieder dag zwarte kleding droeg, haastte zich naar ons toe. “De stad is omsingeld. We moeten ons voorbereiden. Laten we eten klaar maken. Onze jongens zullen honger hebben.” “Waarom is de stad omsingeld en wie zijn onze jongens?” was het eerst wat in me opkwam. Een stilte viel in de stilte die er al was. “Vandaag gaat de hel uitbreken. Hier wacht ik mijn hele leven op”, zei oma. “Waarom zou je op zoiets je hele leven wachten?” vroeg ik weer. De stilte was nu bijna hoorbaar.

Feiten (Verzetsradio 90,9 FM, 7 maart 1991)

De Koerdische partijen vormen deze keer één linie: de Koerdistani Linie. PUK en KDP (de twee grootste partijen van Koerdistan), islamieten, socialisten of communisten? iedereen is vandaag strijdklaar. Na tientallen jaren tirannie is onze gelieve stadje Raniye vandaag bevrijd. Geen enkel Iraakse soldaat heeft de revolutie overleefd. Veiligheidsdienstagenten worden langs de straten opgehangen of gefusilleerd. Het volk regeert. Ons volgende station is Sulaymaniya. Sulaymaniya, word wakker!”

Vanaf mijn vijfde woonde we al bij opa en oma, op de tweede etage. Mijn favoriete speelplek was altijd langs de ramen die uitkeken op de brede straat. Daar kon ik naar de Iraakse soldaten teruggrijnzen, die nu en dan huiszoekingen deden bij de buren en een aantal keer bij ons. Vandaag was het anders. Ik werd niet begroet door Iraakse soldaten, maar door mannen in traditioneel Koerdische kleding, en rare muts en daaromheen een zwarte sjaal gewikkeld, een enorme baard en een kalasjnikov in hun handen. Ze dwaalden door de straten alsof ze weer met hun geliefde verenigd waren. Een geliefde die jarenlang op hun terugkomst had gewacht. De buurvrouw rende snel naar buiten en greep snikkend naar de voeten van één van de mannen. “Toon geen genade! Dat deden ze ook niet bij mijn zoontje van twintig jaar. Ze sleepte hem door de straten alsof hij een beest was. Hij was maar een student, een jonge man in de bloei van zijn leven. Ik smeek het u, toon geen genade!”.Ik was te jong om te beseffen wat er aan de hand was. Maar spoedig besefte ik dat de mannen Peshmerga’s werden genoemd, “zij die de dood onder ogen zien.” Langzamerhand verdwenen ze in de verte richting het meest gevreesde gebouw in de stad: Amne Sureke (het Rode Veiligheidsgebouw). Een labyrint van verschrikking dat slechts één ingang kende.

Even later werd de stilte voor de storm gebroken door de eerste Rocket Propelled Grenade tegen de voordeur van het enorme gebouw. Slechts tientallen Peshmerga’s waren de stad binnengekomen, maar in een paar uren tijd waren duizenden mannen strijdklaar. Mannen die in het Iraakse leger hadden gediend en in de dagen ervoor de wapens van de gedeserteerde soldaten en politiemannen hadden bemachtigd. De overgebleven veiligheidsagenten in het enorme gebouw schoten op alles in de omgeving; de hysterische massa eromheen wilde één ding: hun bloed zien. Een handjevol gaf zich over; de rest was vastbesloten om tot de laatste snik te vechten. De enkeling die zich overgaf werd ter plekke gefusilleerd, opgehangen aan het stoplichten in het centrum van de stad of achter een auto door de straten gesleept. De hel was inderdaad uitgebroken.


Feiten (Voice of America, 8 maart 1991)

Na de sjiieten zijn ook de Koerden erin geslaagd de eerste grote stad te veroveren op de centrale regering. Sulaymaniya in Noord-Irak is in de handen van de Koerdische rebellen. Volgens ooggetuigen heeft de afgelopen twee dagen een etnische zuivering in de stad plaats gevonden. Iedereen die Arabisch sprak of betrokken was bij het veiligheidsapparaat van het regime van Saddam Hussein is geëxecuteerd. Desondanks hebben veel Koerdische collaborateurs de slag om Sulaymania overleefd door zich aan te sluiten bij de rebellen. Volgens onze correspondent was het hoofdkwartier van de veiligheidsdienst in de stad, Amne Sureke, het laatste bolwerk van het regime van Saddam Hussein dat in de handen viel van de rebellen.

Op de tweede dag ging ik samen met pa een bezoek brengen aan het gebouw dat tot twee dagen geleden het Loebjanka van Koerdistan was. Een hoog, rechthoekig gebouw, omringd door hoge muren. Vlak voor de ingang lagen de met kogels doorzeefde lichamen van twee mannen. En voor hen stond een kind dat tot twee dagen geleden nooit van oorlog had gehoord. Het gebouw, dat twaalf etages telde, was een museum van verschrikking. Hoe hoger je kwam, hoe indrukwekkender de kunstwerken. Op de eerste etage, eerste kamer links, stonden hoge kasten met de tekst ‘anticonceptie’ erop. “Wat is anticonceptie, papa, en waarom staat dat hier?” vroeg ik in al mijn onschuld.

Langzaam gingen we naar de kelder. In een smalle gang van niet meer dan twintig meter, kon je alleen linksaf. Een klein donkere kamer. Hier stond de mooiste verzameling in Saddam Husseins museum. Toen we onze zaklampen aanzetten, werd duidelijk wat hier zich heeft afgespeeld. Tientallen met haarspelden gegraveerde teksten op de muur. Eén ervan staat voor de rest van mijn leven op mijn netvlies gegrift: “Lieve echtgenoot, verkrachting is aan orde van de dag. Maar toch weet ik ondanks dit eerloze bestaan dat jij, mijn echtgenoot, trots op me bent. Ze willen dat ik je verraad en zeg waar je bent. Je bent in mijn hart en je vecht voor mijn vrijheid. Dat is het enige wat ze hoeven te weten. De rest is aan jou. Toon geen genade. Met hart en ziel denk ik aan je iedere dag… je vrouw, de moeder van onze kinderen…”

“Wat is hier gebeurd, papa?” We gingen gauw naar boven. Ergens in dit labyrint der verschrikking kwamen we in een ander kamer terecht. Een stoel, een touw en een bureau. “Papa, is dat de galg waar ze over hadden op de radio?”vroeg ik weer.

Nu, zeventien jaar later, realiseer ik me dat ik in twee dagen volwassen werd. Ik wist in één keer hoe de wereld in elkaar zat. Ik ben geboren op een stukje grond dat niet bestaat, Koerdistan genaamd. De man die we op school als onze tweede vader moesten beschouwen, Saddam Hussein, was in feite de gemene stiefvader. Thuis sprak ik Koerdisch, maar op school moest ik gedwongen in het Arabisch denken, schrijven, lezen en leven. Ik heb me daar altijd tegen verzet. Ironisch genoeg ontwikkelde ik jaren later een liefde voor de Arabische taal, voor de losse uitdrukkingen, de ingenieuze stijlfiguren waar de Arabische literatuur zo rijk aan is. Zeventien jaar later, in hartje Leiden, terwijl ik geniet van een pilsje, besef ik dat 7 maart 1991 de dag is waarop ik mijn laatste revolutie meemaakte.

Zjir Rashaan
Lees meer van Zjir Rashaan
Be Sociable, Share!

Korte URL: http://azady.nl/?p=740

Geplaatst door op 16 Mar 2010. Gearchiveerd onder Achtergrond, Geschiedenis. Je kan reageren of trackbacken RSS 2.0. You can leave a response or trackback to this entry

You must be logged in to post a comment Log in

Advertentie

Inloggen | Designed by Gabfire themes